Toespraak Ad Geerdink als Willem Cornelisz Schouten

Reactie(s)

51aHoornse eilanden_kaaphoorn

Varen op God’s Genade

Hoe Willem Corneliszoon Schouten, schipper van Hoorn slachtoffer werd van dubbele geschiedvervalsing

Schouten is de naam. Willem Corneliszoon Schouten, schipper van Hoorn. Aangenaam

Het is mij een eer om hier in mijn geboortestad op deze gedenkwaardige dag het woord tot u te mogen richten. Vandaag exact vier eeuwen geleden rondden wij met de Eendracht de meest zuidelijke punt van het Zuid-Amerikaanse continent, een kaap die onze president Jacob Lemaire ter “eeren des stadts van Hoorn noemde Capo Hoorn“.

Wie van ons had toen kunnen vermoeden dat de herinnering aan deze ontdekking vierhonderd jaar naar dato nog zo springlevend zou zijn….. en dat zelfs een Spaans sprekende ambassadeur bij de herdenking ervan aanwezig zou zijn. Zijne excellentie mevrouw Infante, alles is vergeven en vergeten. Ik groet u van harte.

Maar geachte dames en heren, Kleio, de muze van de geschiedenis, heelt niet alleen wonden, zij slaat ze soms ook.

Ik kan erover meepraten, want ik ben zelf het slachtoffer geworden van een dubbele geschiedvervalsing wanneer het gaat over mijn aandeel in de ontdekking van Kaap Hoorn en de reis van de Hoornse Austraelsche Compagnie in 1615/1616

Aan de ene kant is er het journaal van deze reis dat in 1618 op instigatie van de VOC door Willem Jansz Bleau onder mijn naam is uitgegeven en waarin ik wordt gepresenteerd als de principael beleyder van de gantsche reyse en op het schild wordt gehesen als de Zee-ridder die zelfs Ferdinand Magelhaan in de schaduw stelt en waarin de rol van Jacob Le Maire en zijn vader Isaac totaal wordt gemarginaliseerd.

Aan de andere kant is er het journaal van Jacob Le Maire, dat vier jaar later verschijnt en waarin híj den wijt vermaerden ende cleockmoedighen zee-held en veruit de belangrijkste speler in de reis wordt genoemd en ikzelf tot figurant en zelfs intrigant wordt gedegradeerd, verantwoordelijk voor alles wat tijdens de reis is fout gegaan.

Wat is historisch juist?

Ik ben u dankbaar dat u mij vandaag de gelegenheid geeft om dit opzettelijk en moedwillig vertroebelde geschiedbeeld voor u te verhelderen. Met een persoonlijk relaas over de voorgeschiedenis, het verloop en de nasleep van die wonderlicke reyse uit 1615 en 1616.

Een verhaal dat zich laat vertellen als een epos, een tragedie, een historiestuk.

Ik zou zeggen, haal het doek maar op

Akte 1 De geboorte van een zeeman

Ik ben ter wereld gekomen in Hoorn, in 1577 als eerstgeborene van Cornelis Jansz Schouts en Mary Claesdochter, met zeemansbloed in de aderen. Mijn vader was schipper, reder en kapitein van de Westfriese Admiraliteit. En dus waren ook mijn broer Claes, halfbroer Jan en ik voorbestemd voor het schippersvak.

Dit is het Hoorn waarin ik ben groot geworden. Horna Metropolis Westfrisia, Hoorn de hoofdstad van Westfriesland.

Ik waan mij een bevoorrecht man dat ik getuige heb kunnen zijn van misschien wel de meest dynamische periode uit de geschiedenis van mijn stad.

Een periode die werd gekenmerkt door een sterke groei en bloei van de stad, het resultaat van ondernemingszin, handelsgeest en een bijna grenzeloos optimisme,

Dear en is ter werelt niet, dat ons kan hinderen noch deeren, Want God met ons is, zou Jan Pietersz Coen schrijven

Rond 1595, ik was toen 18, kreeg de internationale handelsvaart een nieuwe dimensie. Oost-Indië. Er brak een ware peperkoorts uit, nadat De Houtman’s eerste Schipvaart uitwees dat de profijtelijke handel in specerijen op Indië mogelijk en haalbaar was. Overal in Holland en Zeeland staken kooplui de koppen bij elkaar en reden schepen uit. Als je als schipper een beetje ambitie in je donder had, en dat had ik, dan wilde je deel uitmaken van dit avontuur. En ik had een voorbeeld.

In 1599 vertrok admiraal Steven van Hagen voor de Oude Oost-Indische Compagnie met een vloot van drie schepen Indië waarts. Een vloot met een sterk Hoorns aandeel. Niet alleen mijn oom Cornelis Jansz Melcknap voer mee als schipper, ook Cornelisz Jansz Schouts, mijn vader, was van de partij als schipper van het admiraalsschip De Zon. De reis werd een groot succes. Vol beladen met kruidnagel, muskaatnoten en foelie kwamen de schepen in september 1601 weer in patria aan.

Akte 2 Een man inde zeevaart wel ervaren

Goed voorbeeld doet goed volgen. In april 1601 vertrok ook  ik naar Indië, met de Molukse vloot onder Wolfert Harmensz, als schipper op de Duyfken. Een klein jacht van 30 last met een bemanning van 20 eters. Hetzelfde schip, dat  in 1606 onder Willem Jansz als eerste Hollandse schip Australië zou aandoen.

Amper teruggekeerd in Hoorn voer ik in december 1603 andermaal naar de Oost, ditmaal als schipper op het aanzienlijk grotere jacht de Delft in de zwaarbewapende vloot van twaalf schepen van admiraal Steven van Hagen. Beide reizen waren net zo gevaarlijk als ze avontuurlijk waren.

Ik herinner me dat ik op mijn eerste reis met de Duyfken van Banda naar Ceram werd uitgezonden, om aldaar informatie in te winnen over Nova Guinea. Men vermoedde dat dit de noordelijke uitloper van het mysterieuze Zuidland was.

Over dit Terra Australis Incognita deden al jaren de wildste verhalen de ronde. De geografen en cartografen in mijn tijd, zoals op deze wereldkaart van de door mij hooggeachte Petrus Plancius te zien is, waren er van overtuigd dat de continenten op het noordelijk halfrond een tegenhanger in het zuiden moesten hebben om de aarde in evenwicht te houden. Dit onbekende Zuidland, waar nog nooit iemand voet aan wal had gezet, zou volgens de verhalen onvoorstelbaar rijk zijn aan specerijen, goud en zilver en dus de moeite van het ontdekken meer dan waard.

Helaas, leverde mijn expeditie niets op. De bevolking op Ceram was  ‘goet en beleefd’, zoals wij op een briefje schreven dat we achterlieten, maar over het Zuidland werden we niet veel wijzer.

Het zou niet mijn laatste bemoeienis met Terra Australis zijn.

In april 1605 was ik terug in Hoorn, inmiddels een man inde zeevaart wel ervaren.

Vier jaar lang was ik bijna onafgebroken op zee geweest. Ik vond het wel even welletjes. Mijn vrouw Grietje, de dochter van Jacob Melcknap met wie ik in 1600 getrouwd was, trouwens ook. We hadden elkaar in vijf jaar nauwelijks gezien. Ik had voor mijn tweede reis nog net de geboorte van Marijtje, mijn dochtertje meegemaakt. Dat was inmiddels een druk babbelende peuter.

Ik besloot het zeemansleven in te ruilen voor dat van koopman. Samen met zwager Jacob Jansz Melcknap stapte ik in een veelbelovende negotie: de Noordvaart, de houthandel op Noorwegen.

In het Oud Archief alhier is daar nog bewijs van te vinden. Eens even kijken. Oh ja hier: in juni 1613 ontvingen we een som van 160 gulden voor de levering van 120 ‘groote grenen balcken die aen delen gesaecht sullen worden om te gebruycken tot het hooft’.

Het ging mij zakelijk voor de wind, maar privé moest ik een gevoelige tegenslag incasseren.

In 1610 ontviel mij mijn lieve vrouw Grietje. Marijtje was toen pas zeven.

Aechte, jongedochter van koopman Claes Fransz Vych werd mijn tweede vrouw. Op 20 november 1611 werden wij  in huwelijck vergadert.

Voor we huwden heb ik haar laten weten welk vlees ze in de kuip had. Dat onder die koopmanskleren een zeeman schuil ging die noch seer begeerigh was tot vreemde vaerten en besoeckingen van nieuwe onbekende Landen.  

En dat kwam ook anderen ter ore.

Akte 3 Begeerigh tot vreemde vaerten

Het moet ergens eind 1613 zijn geweest dat Isaac Lemaire contact met me opnam. Mogelijk had mijn broer Claes mij aanbevolen. Hij had met zijn schip Romeyn diverse vrachten voor Lemaire vervoerd.

Isaac Lemaire zocht contact met me omdat hij me wilde betrekken bij een zeer ambitieus plan, de oprichting van een nieuwe handelscompagnie die dé grote concurrent moest gaan worden van de VOC.

Hoewel ik Lemaire niet persoonlijk kende, stond ik er niet van te kijken. Zijn reputatie was hem al vooruitgesneld.

Heeft u zelf wel eens van Lemaire gehoord? Wat een karakter. Vader van 22 kinderen, koopman, reder, bedijker en durfinvesteerder. Een man met een ongelofelijke daden- en geldingsdrang, die graag de grenzen van toelaatbare opzocht.

Gevlucht uit de Zuidelijke Nederlanden had hij zich in Amsterdam in nog geen tien jaar opgewerkt tot één van de allerrijkste en succesvolste kooplieden. Groot in de Sont- en Straatvaart en al vanaf het allereerste begin betrokken bij de handel op Oost-Indië.

In 1602 bij de oprichting van de VOC werd Lemaire met een inleg van 97.000 gulden de op één na grootste investeerder in de Compagnie en daarmee bewindhebber in de Kamer Amsterdam.

Daar werd hij in 1605 uitgegooid, vanwege….. een bonnetjesaffaire. Hij zou geknoeid hebben met declaraties. De VOC dwong Lemaire een verklaring te ondertekenen waarin hij verklaarde nooit deel te zullen nemen aan enige vorm van handel op Oost-Indië.

Terecht of onterecht, Isaac Lemaire voelde zich in zijn eer en goede naam aangetast. En dat hebben de heren bewindhebbers geweten! Niets, maar dan ook niets liet hij sindsdien na om de VOC te ruïneren. Dat klinkt u wellicht wat ongeloofwaardig in de oren, want wat kan één man nu uitrichten tegen die Edele Compagnie? Maar dan vergeet u dat het slagen van deze onderneming in die beginjaren nog allerminst vast stond. Isaac Lemaire was met al zijn kapitaal, sluwheid en zakelijk inzicht een zeer geduchte tegenstander.  Hij wist precies waar hij de VOC het hardst kon treffen. In de financiering.

In februari 1609 richtte hij met een aantal compagnons in Amsterdam een geheime organisatie op,  de Groote Compagnie, die zich bezig hield met de handel in VOC-aandelen op termijn. Lemaire  beloofde zijn kopers VOC-aandelen te leveren op een termijn van één of twee jaar, tegen een vooraf overeengekomen prijs. Aandelen die hij op dat moment nog niet bezat. Deze handel in actiën à blanco was uiteraard alleen profijtelijk voor hem wanneer de koers van het VOC aandeel tussentijds zou dalen.

En dat liet hij niet aan het toeval over. De Compagnie verspreide bij voortduring geruchten over mislukte expedities en dumpte grote partijen aandelen op de markt.

Ondertussen onderhandelde Lemaire in het geheim met Henry IV, koning van Frankrijk over de oprichting van een stevige concurrent van de VOC, een Franse Oost-Indische Compagnie. Ook, benaderde hij namens de koning de Engelse schipper Henry Hudson om in Franse dienst een eigen alternatieve route naar Indië te vinden, een Noord-Oostelijke doorvaart, boven Rusland langs.

Het resultaat van al deze machinaties liet niet lang op zich wachten;  de koers van het VOC-aandeel begon te dalen, tot wel 40%. Een win-win situatie voor Lemaire. Terwijl hij de financiële poten onder de VOC vandaan zaagde, werd hij zelf schathemeltje rijk. Bedenkelijk, maar kom er maar eens op.

Het zweet moet de Heeren XVII behoorlijk op het voorhoofd hebben gestaan. En dus besloten ze de lastpak, die luis in de pels, aan te pakken en wel over de volle breedte.

Lemaire werd met succes zwart gemaakt aan het Franse Hof. Tot een ontdekkingsreis door Henry Hudson kwam het ook al niet. Althans niet voor Lemaire, want de VOC bood hem snel een beter contract en gaf hem het jacht de Halve Maen mee om de Noord-Oostelijke doorvaart voor de compagnie te beproeven. U weet waar dat toe geleid heeft, de stichting van de kolonie Nieuw-Nederland.

Maar zonder twijfel de grootste overwinning van de VOC was het verbod op de termijnhandel door de Staten-Generaal in 1610, die de Groote Compagnie bestempelde als een ‘rotterie’, een samenzwering. De koers van aandeel steeg binnen een jaar na dit ingrijpen tot 200% a contant. Dit kostte Lemaire kapitalen. Hij kon het hebben, maar verscheidene van zijn compagnons gingen bankroet.

Er zal door de Heeren XVII ongetwijfeld een goed glas wijn op deze overwinning gedronken zijn, maar ze rekenden buiten de waard, want het woord opgeven kwam niet voor in het woordenboek van Isaac Lemaire. Noodgedwongen vertrokken uit Amsterdam, zon hij op zijn nieuwe buiten in Egmond  op de ultieme wraak op de VOC. En daarvoor had hij iemand nodig als ik,  begeerigh tot vreemde vaerten en besoeckingen van nieuwe onbekende Landen.  

 

Akte 4  Gouthaelders

In de winter van 1614 zocht Lemaire mij verschillende keren op. Hij vertelde me dat hij voornemens was een nieuwe compagnie op te richten.

Het doel van deze Austraelsche of Zuyd Compagnie was niet alleen het vinden van het onbekende Zuidland, maar tegelijk ook een nieuwe, alternatieve route naar Indië.

Lemaire was er van overtuigd dat er bezuiden Straat Magelhaen nog een passage naar de Grote Zuidzee moest zijn. Hij leidde dat af uit de getuigenissen van Engelse zeelui die rond 1580 met Francis Drake de wereld waren rond gezeild. Door een storm bezuiden Straat Magelhaen verzeild geraakt zagen zij, weliswaar in slecht weer, beneden Vuurland enkele eilanden in zee. Lemaire liet me een kaart zien, die in 1590 samen met deze getuigenissen door Jodocus Hondius was gepubliceerd.

Als deze kaart klopt, zei Lemaire – en ik zag het vuur in zijn ogen – en wij vinden deze passage als eerste, en dan ook nog Terra Australis, dan ligt niet alleen de handel op het Zuidland, maar ook die op Oost-Indië voor ons open. Immers deze route was niet opgenomen in het Octrooi van de VOC uit 1602 dat het alle Nederlandse handelsschepen verbood handel te drijven in Indië als zij de tot dan toe bekende routes langs Kaap de Goede Hoop of Straat Magelhaan namen.

Jacob Lemaire, zijn oudste zoon, die al de nodige ervaring had opgedaan in de zeevaart, zou de president, de leider van de expeditie moeten worden. In mij zag hij de ideale schipper.

Ik zal eerlijk zeggen, het heeft me wel wat slapeloze nachten gekost. Kon ik deze sluwe vos wel vertrouwen? Werd ik niet voor een of ander karretje gespannen?

Na lang wikken en wegen besloot ik toch in te gaan op het voorstel van Lemaire. Het avontuur, het zakelijk gewin en de roem om als eerste het Zuidland en mogelijk een nieuw passage naar Indië te ontdekken, won het van alle bedenkingen.

Later heeft Isaac Lemaire beweerd dat hij nooit met mij over deze plannen gesproken heeft, dat ik maar gewoon een schipper was die werd ingehuurd om te doen wat hem werd opgedragen.

Maar dat lag toch wel even anders.

Want Lemaire had investeerders nodig voor zijn onderneming. In Amsterdam, waar hij inmiddels persona non grata was, hoefde hij niet aan te kloppen. En dus had hij zijn pijlen op Hoorn gericht en in mij zag hij de ideale ingang. Dat blijkt ook wel uit de overeenkomst die we sloten. Daarbij spraken we af allebei de helft van de benodigde penningen op tafel te leggen, waarbij ik mijn helft uyt goede vrienden ende liefhebbers sou fourneren.

En van die taak heb ik mij goed gekweten. Ik had goede contacten en in de stad waren er genoeg investeerders te vinden. Binnen de kortste keren had ik Cornelisz Seghers, die de administrateur van de Compagnie zou worden als bewindhebber aan boord en schepen Jan Jansz Molenwerf. Maar de grootste investeerders werden secretaris Jan Clementsz Kies en zijn broer oud-burgemeester Pieter Clementsz Brouwers, net als Lemaire echte durfkapitalisten.

Isaac Lemaire liet er ondertussen ook geen gras over groeien. Na flink wat lobbywerk van zijn kant verleende de Staten Generaal op 27 maart 1614 een ‘Generael Octroy voor die geene die eenige nieuwe Passegien, Havenen, Landen oft Plaetsen sullen ontdecken’. De eerste ontdeckers werden beloond met een octrooi van vier vrije reizen. Het plakkaat was ondertekend door Van Oldebarnevelt en voorzien van het zegel van de Staten-Generaal.

De lak van het zegel was nog niet droog of Lemaire vroeg bij Prins Maurits van Nassau een lastbrief aan voor een reis naar het Zuidland. Die werd verleend en daarin stond dat het Jacob Lemaire als capiteyn en ik als zijn luytenant vergund was uit naam van de Prins verdragen aan te gaan en handelsbetrekkingen aan te knopen met de vorsten van nieuw ontdekte rijken.

Daarmee lag de weg voor de Austraelsche Compagnie formeel open.

We besloten twee schepen uit te reden. Een groot schip, bewapend en met flink wat laadruimte en een veel kleiner jacht dat als verkenningsschip dienst kon doen. Voor het grote schip viel mijn oog op een oorlogsschip van de Westfriese Admiraliteit: De Griffioen, een pinas van zo’n 180 lasten, uitgerust met negentien gotelingen en twaalf steenstukken. Wij doopten het om in de Eendracht. Het tweede schip de Hoorn, was een jacht van 55 lasten, dat al in bezit van een van de bewindhebbers was.

Op 16 mei 1615 monsterde de bemanning aan. 65 koppen op de Eendracht en 22 op de Hoorn, vrijwel allemaal uit Hoorn of directe omgeving. Jacob Lemaire werd zoals afgesproken de president en opperkoopman. Hij voer met mij op de Eendracht, net als zijn jongere broer Daniël in de functie van onderkoopman. Ook de familie Schouten was goed vertegenwoordigd. Mijn neefje Cornelis Jan, de zoon van mijn broer Claes, ging mee als cajuyt wachter en mijn broer Jan werd schipper op de Hoorn. Hij werd vergezeld door koopman Aris Claes.

Het doel van onze reis hielden we uiteraard strikt geheim, maar in Hoorn gonsde het al snel van de geruchten. We werden al gouthaelders genoemd.

Akte 5 Een treffelicke reyse

Op 14 juni zeilden we het Landsdiep van Texel uit op weg naar een ongewis avontuur.

Vlak voor vertrek, de Eendracht verliet op 25 mei de haven van Hoorn, had ik nog wat persoonlijke zaken geregeld. Ik ging langs de notaris om mijn testament aan te passen, zodat mijn dochter Marijtje in het geval van mijn overlijden goed verzorgd zou achterblijven en ik leende op de valreep bij mijn schoonmoeder Adriana Jans nog een som van 700 gulden. Je wist immers maar nooit welke interessante handelsmogelijkheden zich tijdens onze expeditie zouden aandienen.

Het eerste deel van de reis verliep voorspoedig. We zeilden zonder tussenstop langs Madeira en de Canarische Eilanden. Pas op Kaap Verde, de meest westelijke punt van Afrika, gooiden we het anker uit om verversingen in te nemen.

Van Kaap Verde wilden we naar Brazilië oversteken, maar we kwamen in een ziedende tropische storm terecht, die ons dwong 400 mijl bezuiden Kaap Verde weer aan land te gaan. Door slecht weer en tegenvallende wind duurde ons verblijf op de Afrikaanse Westkust al met al maar liefst 2 maanden. Pas op 20 september konden we aan de oversteek beginnen.

De bemanning had op dat moment nog geen idee welke route we van plan waren te nemen en wat het doel van de reis was. Op 25 oktober, vijf dagen na het passeren van de evenaar, riep onze president alle stuurlieden, assistenten en officieren bij elkaar om hen hierover in te lichten.

Om het moraal op te poetsen liet hij Claes Jansz in de hut het memoriael van de Portugese ontdekkingsreiziger Pedro Fernandes De Queiros voorlezen, die beweerde in 1605 delen van het onbekende Zuidland te hebben ontdekt. Dat Zuidland moest zo’n 1500 mijl ten westen van Peru gezocht worden. In zijn aantekenboek sprak hij van grote rijkdommen als peerlen, zilver, goud en specerijen die hij ‘en den anderen capiteyn gesien hebben’.

Dit miste zijn uitwerking op de bemanning niet, die groote lust en couragie daarin kregen, hopende voor haer reckeninghe van soo een treffelicke reyse goet profijt te doen. De moraal aan boord, was hierna opperbest.

Op 8 december bereikten we na een reis van meer dan 4400 mijl over de Atlantische Oceaan Porto Desire op de kust van Patagonië. Deze onbewoonde, natuurlijke haven aan de monding van een rivier was de ideale pleisterplaats. We vonden daar een overvloed aan eieren en vis en vingen er met gemak honderden vogels en zeeleeuwen. Ook troffen we er stapels stenen aan, met daaronder de beenderen van de Patagones, de inheemsen. Ze waren wel tien tot elf voet lang. In onze ogen moesten die Patagones dan ook wel reuzen zijn.

Bij het Koningseiland lieten we de Eendracht en de Hoorn opzettelijk op het strand lopen, om met eb de schelpdieren van de romp te kunnen branden.

Bij het schoonbranden van de Hoorn ging het mis. In het journaal staat daarover ‘men bestond met ruychte de backboorts zijde te branden, maar de brand vattende soo heftich inde cajuyt en in het want, dat het vuer niet te blusschen was en verbrande alsoo gheheel in ons ghesicht; ’s nachts ginck het cruyt aan brant en de stucken daer ieder voor gehvreest hadde.

 Het was een treurig gezicht, dat compleet vernielde jacht. Mijn broer Jan  was er helemaal ziek van, temeer omdat hij er door andere bemanningsleden voor verantwoordelijk werd gehouden. Nog dagenlang hebben we op het strand en in het water gezocht naar het zilver dat aan boord was en dat door de ontploffing alle kanten was opgevlogen. We vonden al met al meer dan 37 pond aan volledig zwart geblakerde klompen zilver terug. Verder hebben we alle nog bruikbare scheepsmaterialen, het anker en de vier gotelingen op de Eendracht gebracht.

Dit ongeluk deed de moraal onder de bemanning geen goed. Daar kwam bij dat het vrijwel constant slecht weer was. We werden geteisterd door stormen, onweer, hagel en een snijdend koude wind uit het Zuidwesten, waardoor de animo om verder zuidwaarts te varen zeer gering was. Ik heb me toen aan tafel laten ontvallen dat ik er na het verlies van de Hoorn voor voelde om naar Oost-Indië te zeilen. Ik wist dat dit tegen de instructie was en Jacob LeMaire voelde er dan ook niets voor. Om de moed er in te houden liet hij voor het eerst een van de kaarten zien, waarop een passage onder Terra del Vuego, Vuurland stond aangegeven, hetwelck onze Opperstuurman en Hooch Bootsman wel behaeghde.

Op 13 januari, meer dan een maand na aankomst, verlieten we, Porto Desire, de resten van de Hoorn achterlatend. Tezamen met een boodschap ingekrast in een loden plaatje; een schip ende een jacht genaemt Eendracht en Hoorn gearriveerd den 8 sten december, vertrokken met een schip D’Eendracht den 10den januari 1615  Jacques Le Maire, Willem Cornelisz Schouts, Ares Classen, Jan Cornelisz Schouts en Claes Janssen Ban.

 Akte 6  Varen op God’s genade

Na vijf dagen varen waren we bezuiden Straat Magellaan beland. Vanaf daar was er geen kaart meer om ons op te oriënteren, we voeren, zoals we in het journaal schreven op God’s genade.

De spanning aan boord was om te snijden, de adrenaline gierde door de kelen.

Het weer was bij tijd en wijle zeer slecht, gierende stormen uit het zuidwesten, kou, regen, hagel. Lange tijd leek het alsof we op vasteland aan zouden varen, maar na enige tijd een meer oostelijke koers te hebben aangehouden, ontwaarden we op 24 januari op 53 graden ene royale passagie, een zeestraat. De stroming was er zo sterk dat we er zelfs met topzeilen nauwelijks tegenin konden zeilen. Ook zwommen er zoveel walvissen dat we op moesten letten dat we er niet mee in aanvaring kwamen. S’ Middags, op een hoogte van 55°36′, stelden we zeer blauw water vast.

Dit moest de  Groote Zuydzee zijn en dat zou betekenen dat by ons was een wech ontdeckt,  die tot die tijd toe den menschen onbekend was gheweest. Het land aan de westzijde noemden we Mauritius van Nassau, het land ten oosten, Statenland.

Op 29 januari ontdekten we op 57 graden twee kleine eilanden, die we naar onze Raadspensionaris de Barneveltseilanden noemden. Er woei een zuidoosten wind, toen we tegen de avond waarnamen hoe het bergachtige besneeuwde land aan de westzijde in een scherpe hoek eindigde. We bevonden ons op 57 graden en 48 minuten. Gissende dat daer het hooghe landt ten eynde liep, alsoo wy de eynden conden sien met claer weder ; ’t welck onse President ter eeren des stadts van Hoorn noemde, Capo Hoorn.

Toen de volgende dag het land langzaam uit zicht verdween wisten we zeker dat we een nieuwe passage naar de Groote Zuydzee en daarmee naar Oost-Indië gevonden hadden. Het eerste doel van de reis was bereikt en dat moest uiteraard gevierd.

Dat deden we op 12 februari, toen we Straat Magelhaen aan de westzijde passeerden. De bemanning kreeg een driedubbel rantsoen en in een feestelijke maaltijd van de Breede Raad werd op ’t versoeck en aenhouden van onse opperkoopman besloten de nieuw ontdekte doorgang Strate Le Maire te dopen.

In het journaal van de reis dat in 1618 onder mijn naam uitkwam heeft de bewerker gezet dat het toepasselijker zou zijn geweest wanneer deze passage Straat Willem Schouten zou hebben geheten. Daar ben ik het in het geheel niet mee eens. De president verdient deze eer.

Eenmaal in de Groote Zuydzee waren alle pijlen gericht op het vinden van het onbekende Zuidland. Dat leidde, ik geef het eerlijk toe, in de daarop volgende maanden tot de nodige spanningen tussen de president en mij.

Jacob Lemaire wilde, ik zou bijna zeggen ten koste van alles, dat onbekende Zuidland vinden. Zijn enige houvast was het memoriael van de Portugees De Quieros, dat aangaf dat het Zuidland ergens op 15 graden zuiderbreedte moest liggen. Was dat genoeg om op te koersen?

Natuurlijk het vooruitzicht van een land vol peerlen, goud en zilver, sprak uiteraard ook mij aan, maar ik was verantwoordelijk voor het schip en de bemanning.

 

En gaande de reis werd de toestand aan boord er niet beter op. Een poging op de Juan Fernandez eilanden water en proviand in te slaan, mislukte, omdat de Eendracht vanwege windstilte geen goede ankerplaats kon vinden. Daarna sloeg de scheurbuik genadeloos toe. Op een gegeven moment was meer dan de helft van de bemanning ziek.

Pas op 16 april vonden we een eiland waar we konden ankeren en vers water konden inslaan. We noemden het Waterland. Er groeide ook een soort tuinkers en Oost-Indische sla die we tot moes kookten. Daar knapte de bemanning heel erg van op.

Voor mijn broer Jan, kwam dit helaas te laat. Op 9 april overleed hij, de trouwe schipper van de Hoorn nae dat hy wel een maent aen een seer quade sieckte hadde gheleghen. Hem restte slechts een zeemansgraf.

We voeren inmiddels na eerst maanden een noordwestelijke koers te hebben aangehouden langs de kust van Peru, op de 15de breedtegraad. Ieder eiland, ieder atol dat we onderweg aandeden, versterkte Jacob Lemaire in zijn geloof dat we op de goede koers lagen.

Vliegeneiland, waar het hele dek onder de vliegen zat, Cocos-Eiland, waar we ladingen cocos noten insloegen en Verraders Eiland, waar een achterbakse bevolking onze president probeerde te vergiftigen. Al deze eilanden kwamen volgens Lemaire overeen ‘met het seggen van Queiros. Hij hoopte dat wy de rest ook so advenant souden vinden ende Terram Australem haest soude sien.’ Het eerstvolgende eiland dat we ontwaarden doopte hij dan ook Eyland van Goede Hope.

Maar ik kreeg er juist steeds minder vertrouwen in. Dat is je zeemansinstinct. Volgens het journaal van Jacob Lemaire zou ik op een gegeven moment gezegd hebben, dat wanneer ik geweten had dat we het Zuidland bij de Solomonseilanden zouden zoeken, ik nooit een voet aan boord zou hebben gezet. Ik weet het niet meer, maar het is goed denkbaar.

 

We deden ondertussen het ene eiland na het andere aan. Vele daarvan waren bewoond. De kennismaking met de inheemse bevolking verliep soms heel vriendschappelijk, maar we hebben onze gotelingen en musketten ook meerdere malen moeten gebruiken.

Ik herinner me dat bij een van de eilanden een vissersbootje de Eendracht naderde, waarop we van het schip een touw met een geleidevaatje lieten zakken. Om het vast te pakken natuurlijk, maar de visser bond twee kokosnoten en een paar vliegende vissen vast aan het touw, en nam het vaatje mee.

 

Vaak kwamen de inheemsen wel aan boord om te ruilen. Voedsel in ruil voor snuisterijen. Op, spijkers bijvoorbeeld waren ze gek, die staken ze door hun oren.

Eenmaal kwamen zoveel kano’s langszij dat we het overzicht kwijtraakten. De eilandbewoners stalen aan boord alles wat los en vast zat: kogels, een inktpotje, een matras, een kussen De koksjongen werd zelfs een mes uit de hand gerukt zodat hij al zijn vingers sneed. En als ze iets buit hadden gemaakt sprongen ze direct overboord.

 

Naast ons geschut imponeerden ook onze muziekinstrumenten de eilandbewoners. Menigmaal brak het vioolspel van Dirck Boelisz. het ijs. En ik herinner me een feestelijke ceremonie op twee eilanden waarvoor we door de koning aldaar waren uitgenodigd die wij nae onse vaderlicke stad de Hoornsche Eylanden noemden. We kregen daar varken te eten dat op een uiterst onsmakelijke wijze was klaargemaakt. Ze werden met een gloeiende steen van binnenuit gegaard.

Onze president had voor de ceremonie een trompetter meegenomen en dat maakte zoveel indruk dat ook hij en Aris Claes een kroon van veren op het hoofd gezet kregen.

 

Eind mei was mijn geloof in het vinden van het Zuidland tot het nulpunt gedaald. We waren naar mijn mening al lang meer dan 1550 mijl uit de kust van Peru, waar volgens De Queiros het Zuidland moest liggen. Ik was bezorgd dat we onder Nieuw Guinea door zouden zeilen. Indien er geen doorgang zou zijn, en die was gansch periculeus, onseecker en buyten kenisse, dan zou een terugkeer tegen de heersende oostenwinden zeer moeilijk worden. Noch daargelaten dat er een gebrek aan water en proviand was.

Ik stelde daarom voor onze koers in Noordwestelijke richting te verleggen. Onze president wilde daar niet van weten. Dat zou er immers op neer komen dat hij zijn zoektocht naar het Zuidland zou moeten opgeven. Maar toen er op 3 juni nog altijd geen land in zicht was, bepaalden de stuurlieden en ik ieder voor zich onze positie. Het gemiddelde kwam uit op 1660 mijlen uit de kust van Peru. Precies waar ik al bang voor was. Daarop heeft de Breede Raad op 12 juni, zeer tot leedwezen van onze president, met eendrachtige stemmen besloten noordwest aen te zeylen richting de Molukken.

Ziehier de route die we vervolgens aflegden: langs Johanneseiland, twee eilanden die door de inwoners Moa en Insou werden genoemd, waar trouwens zestien van ons gewond raakten in een hinderlaag van Papoos. En langs dit eiland dat seer groen en plaisant was om aen te sien en dat mijn naam kreeg, Willem Schouten Eylandt, en naar Ternate onze bestemming in de Molukken.

 

Akte 7 Monopoliebrekers.

Op 16 september 1616, na meer dan 15 maanden onderweg te zijn geweest, ankerden we op de Rede van Ternate en waren we eindelijk weer onder landgenoten.

De president en ik werden verwelkomd door gouverneur-generaal Laurens Reaal, admiraal Steven Van Hagen, waar zowel ik als mijn vader onder gevaren hadden, Jasper Jansz, de gouverneur van Ambon en de gehele Raad van Indië. Ze toonden zich uiteraard zeer geïnteresseerd in ons verhaal over de nieuw ontdekte passage.

Jacob Lemaire sprak daarna nog uitgebreid met Reaal. Hij had een geheime instructie van zijn vader mee gekregen hoe te handelen wanneer wij eenmaal in Oost-Indië waren aangekomen. Jacob moest proberen toestemming te krijgen om zelf ook specerijen te mogen inkopen. De sluwe Isaac wilde daarmee een precedent scheppen en had een heel stappenplan gemaakt. Jacob moest eerst de officiële kaart uitspelen, de Austraelsche Compagnie had een nieuwe route ontdekt en daarmee niet het monopolie van de VOC geschonden. Lukte dat niet – het was immers lastig te bewijzen – en zette vleierij ook geen zoden aan de dijk, dan moest Jacob inspelen op persoonlijk gewin voor de gouverneur generaal. De Austraelsche Compagnie was best bereid een privé lading naar Holland te vervoeren. Leidde dat allemaal tot niets, dan kon Jacob zichzelf nog als huwelijkskandidaat in de strijd gooien voor één van de dochters van de gouverneur generaal.

Het is Isaac Lemaire ten voeten uit. Hij hield alleen met één ding geen rekening, de dood. Lemaire dacht van doen te krijgen met Gerard Reynst, maar die overleed in 1615. Zijn opvolger Laurens Reaal liet zich wijselijk niet uit over de mogelijkheden tot handel drijven. Hij verwees Jacob Lemaire door naar de Directeur Generaal van de VOC, die in Jacatra op Java resideerde. Op 28 oktober kwamen we daar aan. Na twee dagen arriveerde het schip de Bantam met aan boord de boekhouder generaal en directeur van de kantoren van Bantam en Jacatra, Jan Pietersz Coen. Een stadgenoot, hoe was het mogelijk?

Het heeft ons niet geholpen. Integendeel. We werden direct bij Coen ontboden die met zijn voltallige raad in vergadering bijeen was. Coen had een duidelijke instructie van de Heeren XVII ontvangen hoe op te treden tegen de monopoliebrekers. En dus werd ons ter vergadering meegedeeld dat ons  schip, alle journalen en bescheiden over de reis op last van de VOC in beslag werden genomen. Onze president protesteerde uiteraard heftig, maar Coen liet weten dat we ons recht maar in Holland moesten halen en dat we daar een eis tot schadevergoeding konden indienen. Het was duidelijk, de VOC liet macht over recht gelden.

Er werd een inventaris opgemaakt van alle bezittingen en goederen en de bemanning kreeg de keus om óf in dienst te treden van de VOC en te worden doorbetaald óf als passagiers op de eerste de beste retourvloot richting patria te worden gezet. 27 van ons, onder wie schipper Cornelis Silverts van Rijsdam, opperstuurman Coen Dircxz en hoochbootsman Cornelisz Pietersz Schaep, kozen eieren voor hun geld. De rest, onder wie Jacob en Daniël Lemaire en ik,  vertrokken op 15 december met retourvloot onder Joris van Spilbergen naar Holland.

Het was allesbehalve een plezierige terugreis. Hoewel nog niet alles verloren was – Isaac Lemaire kennende zou die het er zeker niet bij laten zitten –  was onze ontdekkingsreis toch in een deceptie geëindigd.

Het was overduidelijk dat Jacob Lemaire mij verantwoordelijk hield voor het feit dat het Zuydland niet gevonden was. Dit was voor hem onverteerbaar. Wellicht heeft dat nog bijgedragen aan zijn plotselinge dood. Want tot groot leedwezen van ons allemaal overleed onze president op 31 december op 31 jarige leeftijd na een kort ziekbed. Onze admiraal Joris van Spilbergen sprak een kort woord tijdens de ceremonie en zei dat hij ende alle de andere seer bedroefd waeren, door dien het een man was begaaft met sonderlinge wetenschap en ervarentheyt int stuck vande zeevaert. Waarvan akte.

Akte 8 Onbehoorlicken Acten

Zoals ik al had ingeschat, gaf Isaac Lemaire zich inderdaad niet gewonnen. Sterker nog, de dood van zijn zoon maakte hem nog verbetener. Hij moest en zou zijn recht halen en ging er met gestrekt been in.

Hij claimde bij de Staten Generaal namens de Austraelsche Compagnie een Octrooi voor 20 jaar op de doorvaart door Straat Lemaire, het recht om handel te mogen drijven op Japan, China en Oost-Indië, een schadevergoeding voor de inbeslagname van de Eendracht en alle bezittingen én een beloning voor het ontdekken van de nieuwe zeestraat en alle Zuidlanden.

De Staten Generaal lieten de zaak over aan een speciale rechtbank en dat werd een juridische strijd die zich jaren voortsleepte. Af en toe boekte onze Compagnie een kleine overwinning, zoals een schadeloosstelling voor de Eendracht of een betaling van de gages van de bemanning, maar de VOC trok alles uit de kast om het proces te frustreren.

Ikzelf bemoeide me niet al te veel met deze juridische haarkloverij, maar kreeg zelf ook met de tegenwerking van de VOC te maken. Eén van de Heeren XVII liet zich ontvallen dat ik waerdich was gehangen te zijn. Zelfs over de teruggave van mijn eigen kleren en bezittingen heb ik eindeloos moeten procederen.

En toen verscheen op 25 september 1618 het journaal van de reis, uitgegeven door Willem Jansz Bleau in Amsterdam onder mijn naam. Ik vermoed dat de VOC de bekende kaartenmaker en uitgever alle bescheiden over de reis in handen had gegeven met de opdracht om de rol van Isaac en Jacob Lemaire als initiator en president van de reis totaal te minimaliseren en mij op het schild te hijsen als de grote held van de reis. Men had zelfs Joost van den Vondel bereid gevonden een lofdicht op mij te maken, met als titel

Op de vvonderlicke reyse vanden Hoornschen Meyr-man  Willem Cornelisz. Schouten

Als over Hooren blies de faem haer gulden horen,
Hoe Schouten d’aerden-kloot op nieus was omgegaen,
Niet als meer and’re, door de Straet van Magellaen,
Maer d’engte van le Mair, zoo niemand dee te voren
Enzovoort enzovoort

Dit bracht mij uiteraard in een zeer vervelend parket. De Hoornse bewindhebbers van de Austraelsche Compagnie dachten dat ik mijn huid aan de VOC had verkocht. Isaac Lemaire meed mij als de pest. Ik heb hem nog wel geschreven dat ik niets met de uitgave van doen had, maar dat mocht niet baten.

Als tegenzet bracht Isaac Lemaire, nadat hij alle papieren eindelijk had terug gekregen, in 1622 het journaal van Jacob Lemaire uit onder de itel Spieghel der Australische Navigatie door den wijtvermaerden ende cloeckmoedighen zeeheld Jacob Le Maire. Hierin moest ik het ontgelden.

Het waren de Lemaires die alles hadden bedacht, gepland en uitgevoerd. Ik was maar een eenvoudig schippertje, niet belangrijker voor de gehele onderneming dan de putgert, de scheepsmaat, die in ieder geval deed wat hem werd opgedragen, in tegenstelling tot ik die, ik citeer

Door sijn quat comportement en onbehoorlicken Acten hem tegens den Commandeur in alle delen heeft gestelt en dat daer door belet is geweest sijn heerlijck en heroique dessein en voornemen tot sijn groot hartseer en leetwesen te effectueren en te volbrengen.

Kortom, ik kreeg de schuld van het niet-ontdekken van het Zuidland.

Ik werd gemangeld in een machtspolitieke strijd, en ik stond machteloos.

Maar ik was niet de enige verliezer in deze tragedie. Isaac Lemaire haalde uiteindelijk niet zijn recht.

In maart 1621 besliste de rechter dat de Austraelsche Compagnie geen handel mocht drijven in het octrooi gebied van de VOC en nog datzelfde jaar kreeg de nieuw opgerichte West-Indische Compagnie niet alleen het alleenrecht op het gebruik van Straat Lemaire, maar ook op de handel op de nog te ontdekken Zuidlanden.

Isaac Le Maire deed daarop zijn aandelen van de hand en de Austraelsche Compagnie ging daarna nog een tijd door als gewone handelscompagnie. Moegestreden en gefrustreerd sterft Isaac Lemaire in 1624. Op zijn grafsteen laat hij zetten:

Hier leyt begraaven, Isaac Lemaire, coopman, die gedurende syn handelinge op meest alle die quartieren van de weerelt van God de Heere soo rykelijk gesegent is geweest dat hij in 30 jaren tyts (behoudens eer) verloren heeft over de 1.500.000 guldens.

En ik, hoe ging het verder met mij?

Ik trad weer in dienst bij de VOC. Ik had geen keus. In Hoorn kwam ik niet meer aan de bak. Als schipper op de Oost had ik ervaring. In december 1619 vertrok ik als schipper van de Leiden, voor wat mijn laatste reis zou worden. Een reis waar ik u ook nog uren over kan vertellen. Over de muiterij van Chinese slaven, over hoe ik vastgebonden aan de grote mast moet ik toezien hoe zij mijn schip overnemen en de mijn bemanning gijzelen etc. Ik was toen al ziek, bery, bery, en die ziekte werd me fataal. Op de terugreis onder de u wel bekende Willem IJsbrandts Bontekoe, in de baai van Antogil, op Madagaskar, daar vond ik mijn graf.

Epiloog

Als ik zo de balans opmaak van mijn leven.

Dan ben ik gelukkig dat ik die geweldige dynamische periode in onze maritieme geschiedenis heb mogen meemaken. Ben ik trots op het feit dat ik een bijdrage heb kunnen leveren aan de vermeerdering van onze kennis over de wereld, nieuwe landen en zeeroutes.

Ik reken het ook tot mijn verdienste dat we op de gehele wereldreis van de Austraelsche Compagnie, slechts drie man hebben verloren, waaronder helaas mijn broer Jan.

Jammer alleen dat deze reis, de ontdekking van de route rond Kaap Hoorn, mijn grootste maritieme prestatie, zo bevuild is geraakt door het optreden van de VOC aan de ene en Isaac Lemaire aan de andere kant

Jammer dat zelfs de gezaghebbende Linschoten Vereeniging deze manipulatie niet heeft doorzien en mij in de wetenschappelijk bewerkte uitgave van de twee journaals een twijfelachtige figuur noemt, waarvan de werkelijke bijdrage aan de ontdekking van Kaap Hoorn niet goed kan worden vastgesteld.

Succes heeft vaak meerdere vaders. Zo ook in dit geval. De reis, de ontdekking van Kaap Hoorn, was er niet gekomen zonder het initiatief, het lef, de visie en het doorzettingsvermogen van de Le Maires. Maar zonder mij, in de zeevaert seer ervaren was die nooit goed geëindigd.

Zo is het en niet anders.

Maar ik zou zeggen oordeelt u zelf. Ik wens u daarbij wijsheid toe. Nog een heel leerzame middag verder.

Het ga u goed.


Westfries Museum en 400 jaar Kaap Hoorn

De ontdekking van Kaap Hoorn, 400 jaar geleden, is aanleiding voor een bijzondere tentoonstelling van het Westfries Museum in Hoorn:  KAAP in  KAART. Van 23 januari tot en met 3 april 2016 is hier een indrukwekkend aantal eeuwenoude kaarten uit de  particuliere collectie van Hans Kok te zien.

Wie zelf even virtueel wil voelen hoe Lemaire en Schouten in 1616 de kaap rondden,  kan zich inschrijven voor Kaap Varen. Een unieke belevenis dankzij de speciale oculus rift bril. http://wfm.nl/kaap-varen/

Volg OnsWestfriesland nu ook op Facebook voor dagelijks nieuws en updates.
Up Next

Ook interessant

Reacties op deze post